Op varkensbedrijven tot een goede, sluitende diagnostiek te komen, blijft een onderwerp, waarbij de grootste zorgvuldigheid in acht genomen moet worden. Klinisch onderzoek blijft de hoofdzaak in het komen tot waarschijnlijkheidsdiagnoses, maar aanvullende diagnostiek via secties en andere laboratoriumonderzoeken blijven belangrijke ondersteunende maatregelen. In dit artikel wordt ingegaan op een aantal valkuilen bij de laboratoriumdiagnostiek, zoals ze in de praktijk ervaren worden. Dit aan de hand van een praktijkervaring.
Een praktijkervaring
Casus: hoestende, te weinig voer opnemende biggen op een vleesvarkensbedrijf. Op een vleesvarkensbedrijf komen sinds een aantal weken biggen binnen, die teveel hoesten; de eigenaar ziet, dat de biggen meteen na binnenkomst moeilijker aan het eten komen, dan hij gewend is. Dientengevolge liep de groei terug en ook de uitval ging omhoog. De geleidekaart laat zien, dat er op het vermeerderingsbedrijf, waar de vleesvarkenshouder al jaren een vertrouwde relatie mee heeft, geen bijzonderheden zijn, die de hoest zouden kunnen verklaren. Telefonisch contact met de vermeerderaar, zijn handelaar en zijn dierenarts, wijst uit, dat er op het vermeerderingsbedrijf in de kraamstal nog altijd gevaccineerd wordt tegen Circo ; de biggen doen het goed in het speenstuk. Medicatie is daar, op het hele bedrijf, niet nodig. Op het vleesvarkensbedrijf worden daags na aankomst temperaturen gemeten bij de biggen van 41,8 graden Celsius. Besloten wordt om op het vleesvarkensbedrijf bloedmonsters te nemen, meteen na opleg, halverwege de mestronde en vlak voor afleveren. Er wordt onderzocht op ademhalingsziekten. Gevonden wordt, dat de dieren bij aankomst en halverwege de ronde op het vleesvarkensbedrijf positief zijn op PRRS-antilichamen en op Circo-antilichamen. De Circo-antilichamen waren van een soort, die niet gevonden mochten worden bij met een bepaald vaccin tegen Circo gevaccineerde dieren (het waren Ig-M-antilichamen). Er werd in overleg besloten om op het vermeerderingsbedrijf ook te tappen bij biggen op de leeftijd van 5 en 9 weken. Deze bloedmonsters werden ook getest op de aanwezigheid van PRRS-virus in het bloed middels een PCR-test. Er bleek bij de uitslag PRRS-verwekker in het bloed aanwezig te zijn bij de dieren van 9 weken leeftijd. Het vermoeden werd uitgesproken, dat de biggen tegen Circo gevaccineerd werden op het moment, dat ze een PRRS-infectie aan het doormaken waren; daardoor zou de Circo-vaccinatie niet goed aanslaan en daardoor zou het afwijkend antilichamenpatroon tegen Circo in het bloed van de biggen gevonden kunnen worden. Om de aanwezigheid van Circo-verwekkers proberen uit te sluiten, werd er gekozen om op het vleesvarkensbedrijf 3 pas aangekomen biggen te euthanaseren en deze in te zenden naar de Gezondheidsdienst voor sectie en uitgebreid laboratoriumonderzoek, dit in overleg ook met de dierenarts, werkzaam bij de fabrikant van het vaccin tegen Circo. De sectie-uitslag toonde verschijnselen van Mycoplasma, PRRS en Circo aan. Bij het vervolgonderzoek op ziekteverwekkers werd aangetoond in lymfeknopen de aanwezigheid van PRRS-virus, de afwezigheid van Circo-virus en bij longkweek ook de afwezigheid van Mycoplasma. Telefonisch contact met de vermeerderaar en zijn dierenarts leerde, dat de biggen op het vermeerderingsbedrijf in de speenafdelingen ook waren gaan hoesten en het leek erop, dat de infectie zich vanuit de oudere diergroepen aan het verplaatsen was naar de jongere dieren.
Wat is er nu aan de hand?
Op het vleesvarkensbedrijf werd een duidelijke klacht vastgesteld van hoestende, niet etende biggen met koorts. De dieren presteerden qua groei en uitval ook duidelijk minder. Het klinisch onderzoek werd hier ondersteund door een laboratoriumonderzoek. Hierbij viel op, dat dieren antilichamen in het bloed hadden tegen ziekten, waar ze op het vermeerderingsbedrijf tegenaan liepen. Er vormden zich ook antilichamen, die er niet hadden mogen zijn, tegen Circo. Deze dieren worden namelijk gevaccineerd tegen deze ziekte, waardoor er geen antilichamen bij de afnemer gevormd mogen worden van het Ig-M-soort (een technisch verhaal). Het feit, dat deze antilichamen er wel waren, kan als reden hebben, dat de vermeerderaar niet meer zou enten (wat niet het geval was) of vanwege het feit, dat de dieren een andere ziekte doormaken op het moment van toediening van de Circo-vaccinatie. Dit laatste bleek het geval. Op sectie bleek ook de aanwezigheid van longmateriaal met veranderingen, die wijzen op Mycoplasma. Het is belangrijk om te bevestigen of uit te sluiten de aanwezigheid van Mycoplasma-verwekkers, omdat ook deze kunnen bijdragen aan het hoest-complex in de biggengroep. De aanwezigheid van Mycoplasma werd uitgesloten. Dit maakte de weg vrij om te concluderen, dat de biggen ziek werden van PRRS, waarbij secundair een vreemd antilichamen-patroon tegen Circo werd gevonden ten gevolge van het reeds genoemde vaccineren tegen Circo op een onjuist moment. Therapeutisch wordt er op dit moment gemedicineerd bij de speenbiggen bij de vermeerderaar in afwachting van de aankomst in de speenafdelingen van tegen PRRS gevaccineerde dieren, dit naast de Circo-vaccinatie, die gehandhaafd blijft.
De valkuilen
Bij het gebruik van laboratoriumonderzoeken zijn een aantal zaken, die de interpretatie kunnen beïnvloeden op een zodanige manier, dat er foute conclusies getrokken worden. Op de eerste plaats moet er een vertrouwensrelatie zijn tussen de vermeerderaar en de afnemer. De afnemer moet er zeker van kunnen zijn, dat afspraken met betrekking tot bijvoorbeeld vaccinaties nagekomen worden; behalve bij vaccinatie tegen Circo op een moment, dat de dieren een andere infectie doormaken, kan ook het niet vaccineren tegen Circo aanleiding geven tot het ontstaan van Ig-M-antilichamen op het vleesvarkensbedrijf. Om te komen tot een betrouwbare interpretatie moet men dus zekerheid hebben over de afspraken tussen vermeerderaar en afnemer. Daarnaast is het belangrijk, dat adviseurs kennis hebben van het gedrag van medicaties en vaccinaties in een dier. Vaccins van verschillende fabrikanten proberen allemaal bescherming te geven tegen de ziekteverwekker, waartegen het vaccin ontwikkeld is, dat moge duidelijk en logisch zijn; de manier, waarop de bescherming zich ontwikkelt en de aantoonbaarheid daarvan op laboratoriumniveau kan van fabrikant tot fabrikant verschillen. Dit maakt de interpretatie van laboratoriumuitslagen pas betrouwbaar. Daarnaast is een moeilijkheid, dat men via secties zonder uitgebreid onderzoek ook op een verkeerd spoot gezet kan worden.
In de hierboven besproken casus zou, bij een onvolledig begeleidend schrijven door de dierenarts, die de biggen inzond, mogelijk de conclusie getrokken zijn, dat Mycoplasma een belangrijke component zou zijn in de hoestproblematiek. Uitgebreid onderzoek, onder andere door het begeleidend schrijven van de dierenarts, die de klinische situatie kende, stuurde het onderzoek en de uiteindelijke diagnostiek in een andere richting. Ook mag van de handelaar, die uiteindelijk de biggen van de vermeerderaar koopt en ze verkoopt aan de vleesvarkenshouder, verwacht worden, dat hij meedenkt in het oplossen van dergelijke problematiek en dus verder denkt dan het oude gezegde: “Heb je de biggen gezien? Dan zijn ze nu van jou.” Gezegd moet worden, dat veel handelaars vandaag de dag een heel grote meerwaarde hebben in de communicatie tussen vermeerderaars en afnemers van de biggen. Ook voor dierenartsen en bedrijfsvoorlichters zal een dergelijk gedrag verwacht mogen worden; dit gaat ook steeds beter. Echter,het niet willen meedenken door partijen is mogelijk nog de grootste valkuil in het komen tot goede diagnostiek.
Conclusie
In de varkenshouderij komen veel ziekten voor, waarbij een aantal via laboratoriumdiagnostiek in kaart gebracht kunnen worden, nadat er eerst een gedegen klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Om te komen tot een betrouwbare diagnostiek is het belangrijk, dat er een aantal randvoorwaarden op een correcte manier ingevuld zijn. Er zal een gedegen klinisch onderzoek moeten zijn van zieke dieren, waarna er een laboratoriumonderzoek toegevoegd kan worden. Hierbij is een goede voorlichting richting het laboratorium nodig om te voorkomen, dat onderzoeken en conclusies uit onderzoeken mogelijk de verkeerde kant op gaan. Laat de interpretatie van laboratoriumuitslagen toelichten door ter zake deskundigen. Ben als varkenshouder terughoudend in het inzenden van materiaal naar een laboratorium zonder te communiceren met uw bedrijfsadviseurs om op die manier de kans op een goede diagnostiek te bevorderen. Verwacht ook van uw bedrijfsadviseurs (handelaar, voorlichter en dierenarts), dat men meedenkt; dit is ook belangrijk om de afname van uw product naar de toekomst mogelijk te blijven maken.
Paul Verstraelen varkensdierenarts dierenartsenpraktijk Horst e.o., artikel Varkensbedrijf