Gehaltes in de melk; hoe kunt u ze beïnvloeden?

De gehalten in de melk van de koeien zijn per koe en per bedrijf sterk verschillend. Ook zijn er grote verschillen met de seizoenen. De belangrijkste gehalten waar u als melkveehouder direct mee te maken heeft zijn: het melkvet-%, het melkeiwit-% en het melkureumgehalte. Goede gehalten, in de juiste verhouding, in de geleverde melk verhogen de inkomsten uit melk, geeft een duidelijke kosten besparing en de melkkoe kan langer gezond blijven. In dit artikel worden meerdere factoren beschreven die in de praktijk gebruikt kunnen worden om dit doel zo snel mogelijk te bereiken.

Fokkerij
Met fokkerij is de genetische aanleg van de melkkoe in grote mate te sturen om de boven aangegeven gehalten per dier vast te leggen. Het uiteindelijk gerealiseerde gehalten in de melk is het resultaat van genetica + omgeving (voeding, verzorging, melkfrequentie en seizoen). Veel veehouders vergeten naar mijn idee hoe belangrijk de genetische aanleg van het kalf of de koe is om uiteindelijk resultaat te behalen. Bij het gebruik van een stier met de volgende productie aanleg: + 2000 kg melk, - 0.10 % vet en – 0.25 % eiwit zal met een juiste voeding en verzorging de nakomeling duidelijk meer melk geven (+ 1000 kg) maar zullen de gehalten duidelijk dalen: melkvet – 0.05% (gunstig) en melkeiwit -0.125% (zeer ongunstig). Daarbij wordt de verhouding tussen vet en eiwit in de melk ook nog duidelijk ongunstiger. Met de huidige melkprijzen en het vetquoteringssysteem worden de melkgeld opbrengsten van deze stier nakomeling duidelijk verlaagd in vergelijking met een stier met dezelfde productie aanleg en dan melkeiwit + 0.15% vererfd.

Zo zijn er ook duidelijk verschillen in de genetische aanleg van dochtergroepen van stieren in het melkureum gehalte. Voor een laag melkureum gehalte (15 – 20) is het daarom ook mogelijk om bepaalde stieren te gebruiken met een gunstige vererving voor dit kenmerk als andere belangrijke kenmerken ook voldoende zijn.

Wel is het vaak zo dat vaarzen en melkkoeien met een hoog melkeiwit% en een normaal melkureum gehalte goede genetische aanleg hebben voor beenwerk en voerefficiëntie. Deze kenmerken zijn nu eenmaal nodig om de Negatieve Energie Balans te voorkomen en de voerbenutting maximaal te laten verlopen.

Voeding
Met voeding zijn de gehalten duidelijk te beïnvloeden maar de genetische aanleg verlogend zich niet en wanneer de gehalten teveel gestuurd worden (bijvoorbeeld sterk melkvet verlagen) dan gaat dit gepaard met gezondheidsproblemen bij de koe: nu (pensverzuring) of later (klauwbevangenheid).

Een prima gezonde koe die dagelijks ruim voldoende structuur voer kan eten met de goede aanvulling van energie, eiwit en vitaminen + mineralen zal maximaal melk produceren met gehalten die in haar genetisch vermogen zijn vast gelegd. Door toepassing van kennis en kunde uit de herkauwers-voeding zijn hier mogelijkheden dit te optimaliseren. Let wel op dat rantsoenberekeningen gedaan worden op basis van geschatte gehalten per voersoort en voor de gehele koppel koeien. Toch zal elke koe op het berekende rantsoen anders reageren, daar de totale voeropname per koe verschilt en het rantsoen meestal niet als één geheel wordt aangeboden (basisrantsoen + aanvulling van krachtvoer uit de box).

Duidelijk is wel dat een structuurrijk rantsoen met een goede verteerbaarheid een optimale pensfunctie tot gevolg heeft waardoor in de voormagen maximaal microbieel eiwit gevormd kan worden. Hierdoor zal de melkgift niet duidelijk verhoogd worden maar zal wel het melkeiwit gehalte stijgen en zal de lichaamsvet-afbraak bij de hoog productieven beperkt blijven. Het melkvet daalt en de verhouding in de vet-eiwit gehalten wordt kleiner. Dit effect kan nog duidelijk versterkt worden door smakelijke energie bronnen te voeren met een hoog bestendigheids gehalte, zoals maïszetmeel. Hierdoor wordt op darmnivo nog extra glucose gevormd wat een duidelijk gunstig effect heeft op een daling van het melkvet% en stijging van het melkeiwit% bij koeien in de eerste 150 – 200 dagen van de lactatie.

In het 2de deel van de lactatie is het juist de kunst om de melkgift goed te stimuleren. Hiervoor is nodig een rantsoen met meer pensenergie en penseiwit en duidelijk minder bestendig zetmeel. Een groot aandeel smakelijk gras of voordroog (hoog suiker-gehalte) en snijmais gift beperken is dan een goede optie. Voor vaarzen en koeien met een hoge persistentie is dit moment duidelijk later dan voor koeien met een lage persistentie.

Verzorging
Alle factoren die ervoor zorgen dat de koe gemakkelijk en meer voer kan opnemen hebben een positieve invloed op een hogere melkgift met een hoger melkeiwit gehalte en verlaging van het melkureum nivo. De conditie van de koe in de droogstand is vaak al een duidelijk gegeven hoe het met de productie en de gezondheid van de koe zal gaan in de eerst 60 dagen na afkalven: te vette dieren (BCS >3 -3.5) kalven moeilijker af en lopen daardoor slecht. Het resultaat is minder voeropname: meer slepende melkziekte (hoog melkvet% en laag melkeiwit%) en een matige pensfunctie (te slecht gevuld en kans op pensverzuring). De effecten van een matige start op gehalten in de melk blijven lang aanwezig, soms wel de gehele lactatie.

Melkfrequentie
Vaker melken zoals bij een automatisch melksysteem heeft duidelijk invloed op de gehalten. Door een beperkte tegendruk in het uier kunnen de hoogproductieven een hogere melkgift produceren en is het melkvet gehalte lager. Of het melkeiwit gehalte gelijk blijft of kan stijgen is afhankelijk van verzorging en een juiste, onbeperkte voeding.

Samenvatting
De gehalten in de melk van uw koeien zijn van meerdere factoren afhankelijk. Door een goede analyse van de sterke en zwakke punten per dier en van uw bedrijf zijn meer mogelijkheden voor u beschikbaar om het ideaal van een efficiënte melkgift te bekomen met prima gehalten in de melk. Eigenlijk is de melk van de koe het resultaat van fokkerij, voeding en verzorging.