PIA blijft de gezondheid van varkens ondermijnen

PIA is in de varkenshouderij een aandoening, die op veel bedrijven bijdraagt tot minder ernstige of ernstiger gezondheidsproblemen en daardoor ook bijdraagt tot een minder goede rentabiliteit van het bedrijf. De verwekker is de Lawsonia Intracellularis, de andere naam, die wel in de literatuur genoemd wordt, is Ileïtis. Het is een ziektebeeld, dat meer de kop is gaan opsteken na het verdwijnen van de groeibevorderaars uit het voer; de gebruikte middelen hebben een antibacteriële werking en onderdrukten daardoor vermoedelijk onder andere de PIA-problematiek. Veel is er al over gepubliceerd, echter
"het antwoord, dat we als een passende sleutel op het slot kunnen zetten, hebben we nog niet"
het antwoord, dat we als een passende sleutel op het slot kunnen zetten, hebben we nog niet. Er wordt gezocht vanuit voedingswegen, via vaccinaties en via strategische behandelplannen op bedrijven met behulp van kortstondige antibiotica-therapieën. In dit artikel worden een aantal zaken besproken met betrekking tot dit ziektebeeld in relatie tot het klinisch-pathologisch beeld, met daarnaast aandacht voor therapie en preventie van dit ziektebeeld. Ook wordt stilgestaan bij enige economische aspecten van PIA.
PIA komt zowel voor bij het biggenstuk na het spenen als bij opfok- en vleesvarkens. Er worden twee vormen onderscheiden, de acute en  de chronische vorm. Bij de acute vorm ziet men bloederige diarree, acuut dode varkens en bij de overlevers het ontstaan van bleke varkens; dit ziet men vooral bij opfok- en vleesvarkens. De chronische vorm uit zich in een vertraagde groei met toegenomen voerconversie door met name een slechtere vertering , iets verhoogde uitval, mindere uniformiteit en slachteigenschappen, die onder druk komen te staan. Bij slachtdieren wordt met name de spier-spekverhouding minder nadelig beïnvloed. De chronische vorm komt ook met name voor bij opfok-en slachtdieren, maar kan ook bij speenbiggen voorkomen; hierbij ziet men een groei, die niet is, wat het zou moeten zijn en een uitval, die iets meer is , dan men gewend is, waarbij er ook meer diarree is bij de biggen. Dit heeft een negatief effect op de voerconversie, maar het baant ook de weg voor bijkomende infecties, te denken valt aan Circo en streptococcen. De grootste schade vindt echter plaats bij de al genoemde oudere diercategorieën. De diagnostiek doet men aan de hand van het klinisch beeld en aan de hand van laboratorium-onderzoek. Het klinisch beeld maakt de waarschijnlijkheids-diagnose al zeer aannemelijk, echter men moet andere ziektebeelden uitsluiten, zoals “normale“ speendiarree, maagzweren, darmdraaiingen, Salmonella en dysenterie. Het laboratorium-onderzoek zal bij PIA uitwijzen, dat men bij sectie in een aantal gevallen bloederige darminhoud zal vinden (de acute vorm), maar ook minder of meer duidelijk aanwezige verdikking van de het laatste stuk van de dunne darmwand door ontstekingsreacties. In de mest en in de darmwand is de verwekker vaak aan te tonen. Bij de chronische vorm wordt de diagnose gesteld ook weer aan de hand van de klinische symptomen zoals hierboven beschreven, echter de diagnose wordt meer waarschijnlijker door de slachtlijn-bevindingen. Hierbij ziet men teveel “tuinslang”- darmen in de darmpakketten; het laatste stuk van de dunne darm is naar verhouding te weinig soepel. Vaak wordt een stukje darm ook hier in het laboratorium onderzocht om te komen tot het vinden van de verwekker. Het klinisch beeld en het laboratorium-onderzoek wordt vaak aangevuld met bloedonderzoek bij de varkensstapel, die men verdenkt van PIA-problematiek. Het zinvolle van bloedonderzoek, op de juiste manier uitgevoerd, is, dat men meer kan zeggen over het moment van infectie. In zijn algeheelheid is in Nederland meer dan 80% van de varkensbedrijven besmet, dus als hulpmiddel bij het vaststellen van de diagnose PIA is bloedonderzoek maar van beperkte waarde.
Therapeutische maatregelen 
Bij een klinische, acute uitbraak van PIA is de belangrijkste maatregel om de aangetaste groep in zijn totaal onmiddellijk op een groepsmedicatie te plaatsen, de keuze van het medicament zal bepaald moeten worden aan de hand van overleg tussen eigenaar en dierenarts. Klinisch zieke dieren, die afwijkende mest hebben of zich wit beginnen te tonen, zullen individueel behandeld moeten worden per injectie. Bij snel therapeutisch ingrijpen zal vaak blijken, dat voor een aantal dieren de behandeling te laat is. De duur van de behandeling zal ook in overleg tussen eigenaar en dierenarts  vastgesteld moeten worden, waarbij beide partijen er kennis van moeten hebben, dat na afloop van de medicatie, als het tegenzit, er nog een klinische recidief kan zijn. Daarnaast is belangrijk, dat er duidelijke hygiënische maatregelen getroffen moeten worden om te proberen de ziekteuitbraak te beperken tot de aangetaste groep en niet via laarzen of kleding de ziekte naar andere afdelingen te brengen. Ook zal men uiteraard de zieke afdeling als laatste moeten controleren, na de gezonde afdelingen. Duidelijk zal zijn, dat we er ook voor moeten zorgen, dat de darmgezondheid van de varkens ook zoveel mogelijk gewaarborgd moet worden via het ontwormen op de juiste momenten, afhankelijk van de infectiedruk. Met betrekking tot de darmgezondheid moet ook extra gecontroleerd worden op veranderingen in voersamenstellingen, vooral bij bedrijven die met bijproducten werken. Gekeken moet worden naar
"de aanwezigheid van koolhydraatkernen en soms vetkernen, waarvan de passage en de vertering naar het laatste stuk van de dunne darm plaats vindt"
de aanwezigheid van koolhydraatkernen en soms vetkernen, waarvan de passage en de vertering naar het laatste stuk van de dunne darm plaats vindt. Bij de preventie moeten we denken aan vaccinatie tegen PIA. Het vaccinatie-moment moet worden vastgesteld aan de hand van het infectie-moment via het al genoemde bloedonderzoek. De resultaten zijn vaak, maar niet altijd, dankbaar. Omdat vele factoren invloed hebben op PIA-problematiek, omdat er nog niet een volledige kennis is van de manier waarop bij gevaccineerde dieren een immuniteit zich zal kunnen handhaven  en omdat er in PIA-problematiek in een aantal gevallen ook sprake is van een combinatie van de PIA-verwekker met andere verwekkers, daarom kan men niet altijd een uitspraak doen over de mogelijke succesvolheid van een PIA-vaccinatie. Naast de Lawsonia-bacterie blijkt op een aantal bedrijven het Circo-virus een heel duidelijke spelbepaler te zijn in het optreden van PIA-problematiek in de breedste zin van het woord. Op een aantal bedrijven is via diagnostisch onderzoek een onderbouwing geschapen om in plaats van een niet voldoende succesvolle PIA-vaccinatie te gaan vaccineren tegen Circo. Met goed resultaat. Het blijft bij PIA een moeilijke zaak om een pasklaar antwoord te vinden, dat op alle bedrijven volstaat.
Economische schade
Los van de emotionele schade bij PIA-uitbraken (ergernis, angst om de stal in te gaan vanwege wat men nu weer zal aantreffen) is er ook een aanzienlijke economische schade. Deze schade komt door verhoogde uitval, verminderde groei samen met het verlies van uniformiteit in de varkensstapel en een ongunstiger voerconversie. De economische schade is natuurlijk gerelateerd aan de biggenprijzen, de vleesvarkensprijzen, de voerprijzen en de medicatie- en vaccinatie-kosten. Technisch gezien zie je bij ernstige PIA-uitbraken al gauw een verdubbeling van de uitval, een toename van de voerconversie van 10% en een verminderde groei van ook 10%. Los van inkoopprijzen en opbrengstprijzen zal dit op diverse vleesvarkensbedrijven een kostenpost zijn van 10-15 euro per vleesvarken. 

Daarnaast zal een PIA-uitbraak bij de varkens een stimulering geven van het immuunapparaat tot het vormen van weerstand. Bij een eerste kennismaking van een dier met een ziekte-kiem zal er altijd een overreactie optreden van het immuunapparaat, welke later zal afzwakken tot een aangepast antwoord met als doel een immuniteit voor de langere duur. Door een constante belasting van het immuunapparaat bij chronische, niet opgeloste PIA-infecties wordt veel energie van het dier gevergd en het dier zal veel antilichamen blijven aanmaken, los van andere manieren van immuniteitsopbouw. Het onder druk zetten van het immuunapparaat zal een gedeelte van de voedingsaminozuren naar weerstandsopbouw doen gaan, niet naar spieraanzet; dit kost veel energie en dit zal, naast erfelijke en andere factoren, een negatief effect hebben op de spier-spek-verhouding van het dier, en is daarbij een economische schadepost. Dit geldt overigens, het moge duidelijk zijn, ook voor andere ziekten, waarbij een overmatige prikkeling tot antilichaamvorming blijft bestaan.

Conclusie
PIA is al lang een bekende in de varkenshouderij. Het lijkt erop, dat het klinisch-pathologische beeld meer de kop op steekt sinds de groeibevorderaars uit het voer verdwenen zijn. Als varkenshouder blijft het voor u zaak om inoverleg met uw dierenarts en uw voorlichter heel duidelijk aandacht te geven op uw bedrijf aan PIA, in welke vorm deze dan ook rondwaart op het bedrijf. Het zal, naast het arbeidsplezier, ook veel toevoegen aan de rentabiliteit van uw bedrijf.


Paul Verstraelen, dierenarts varken, artikel varkensbedrijf

Uw reactie op dit artikel.

Geef uw eigen reactie door hier te klikken