WAT
'Rhinopneumonie' wordt veroorzaakt door twee types van het Equine Herpesvirus (EHV 1 en EHV 4). Beide worden gekenmerkt door luchtwegproblemen, alleen kan EHV 1 (eerder dan EHV 4) zich vermeerderen in het lichaam met eventueel abortus of aandoeningen van het zenuwstelsel tot gevolg. Alle leeftijdsgroepen zijn gevoelig, hoewel men de luchtwegproblemen het meest bij veulens en jaarlingen aantreft.
VERSPREIDING
De infectie vindt plaats via de lucht, direct contact met geïnfecteerde paarden of contact met geaborteerd materiaal. De uitscheiding van het virus vindt tot 2 weken na de infectie plaats. Doordat herpesvirussen na infectie latent aanwezig (=soort van slaaptoestand) blijven, kunnen allerlei stress-situaties een (veelal mildere) heropflakkering van de aandoening geven.
SYMPTOMEN
• Ademhalingsstoornissen: komen het meest voor, kan onopgemerkt voorbij gaan. Hoge koorts, verminderde eetlust, hoest, waterige neusvloei, roodheid van de neusslijmhuid en eventueel zwelling van de keelklieren zijn hierbij het meest voorkomend.
• Abortus: kan optreden vanaf 2 weken tot 3 maanden na een ademhalingsinfectie die dikwijls niet opgemerkt werd. De merrie aborteert meestal tijdens de laatste 4 maand van de dracht. Soms kan een ware 'abortusstorm' plaatsvinden op een bedrijf. Gelukkig leidt een EHV 1 infectie over het algemeen niet tot een baarmoederontsteking en/of verminderde vruchtbaarheid. Wanneer geen complicaties ontstaan kan de merrie na enkele weken weer worden gedekt of geïnsemineerd.
• Zenuwstoornissen: komen sporadisch voor, meestal bij volwassen merries. Hierbij treden de symptomen -die varieren van coōrdinatiestoornissen tot verlamming- zeer acuut op. Veelal is de achterhand aangetast. Herstel is mogelijk, vooral bij dieren waar geen verlammingsverschijnselen optreden.
BEHANDELING
• Ademhalingsstoornissen: koortsremmer, eventueel in combinatie met antibiotica om secundaire bacteriële infecties te vermijden. Verder is 1 à 2 weken rust in een stofvrije en luchtige omgeving aangewezen (weidegang)!
• Abortus: behandeling is niet noodzakelijk, wel dienen maatregelen getroffen te worden om de verspreiding naar andere drachtige merries te voorkomen.
• Zenuwstoornissen: hierbij kunnen we enkel symptomatisch behandelen.
PREVENTIE
Vaccinatie beschermt tegen de respiratoire symptomen en vermindert de kans op abortus. De bescherming tegen abortus is dus niet volledig. Over het effect van vaccinatie op de preventie van zenuwstoornissen is weinig bekend.
De basisvaccinatie bestaat terug uit twee entingen met 4 tot 6 weken tussentijd en is vanaf een leeftijd van 4 - 6 maand mogelijk (afh. van vaccinatie merrie). Daarna is een 6-maandelijkse hervaccinatie nodig. Drachtige merries worden ter preventie van abortus driemaal (op 5-7-9 maanden) dracht gevaccineerd. Vaccinatie dient ook op bedrijfsniveau (= alle dieren) te gebeuren vanwege het mogelijke besmettingsrisico.

Verder zijn een aantal managementregelen van belang:
• Nieuwe dieren op het bedrijf worden best een 3-tal weken geïsoleerd van de reeds aanwezige paarden.
• Het is belangrijk om jonge paarden te scheiden van de drachtige merries. Dit komt omdat jonge dieren zelf veelal weinig last hebben van het virus, maar wel zeer veel virus kunnen verspreiden.
• Stress-toestanden (bv. lang transport,...) dienen vermeden te worden aangezien stress kan zorgen voor een reactivatie van het virus (zie verspreiding).
In het geval van een EHV doorbraak moeten (mogelijk) besmette dieren geïsoleerd worden.
Verzorg deze dieren steeds als laatste. Eventueel geaborteerd materiaal (foetus, nageboorte) moet verwijderd worden in een plastiekzak. De stalbedding moet ter plaatse ontsmet en daarna verbrand worden.
