In de vleesvarkenssector is er een opvallende terugloop aan uniformiteit van de gewichten. Soms is dat al duidelijk te zien bij opleg, echter vaak ziet men het ook ontstaan halverwege de vleesvarkensfase of meer richting het einde. Deze variatie zorgt ervoor, dat een aantal dieren bij het leeg laden van vleesvarkensafdelingen te licht weg gaat, terwijl daarnaast hierdoor de technische resultaten ook onder druk gezet worden; men kan minder rondes per jaar maken. Duidelijk is, dat daardoor de financiële resultaten niet positief beïnvloed worden.
In dit artikel wordt, zonder een totaal overzicht te geven, een aantal zaken onder de loep genomen, die van invloed kunnen zijn op het ontstaan van een minder goede uniformiteit.
Invloeden vanuit het vermeerderingsbedrijf
"Paul, ik heb afgelopen jaar 33 biggen gespeend en ik heb er 32 verkocht"."Klasse, Sean, dat is een heel goede prestatie, waar je terecht trots op mag zijn, je doet met de top mee. Maar, bij 33 gespeende biggen, hoe slaag jij erin om de biggen, die geboren worden met een geboortegewicht van 700 gram te redden? Anders wordt het wel moeilijk om 33 biggen te spenen.” Het antwoord kwam: "Paul, ik heb geen biggen van 700 of 800 gram, ik heb altijd biggen met een geboortegewicht, wat niet onder de 950 gram komt"."Sean, waarom heb jij dan nooit biggen, die bij het lage segment geboortegewicht behoren, wat doe jij anders?" De reactie: "Ik weet het niet, misschien de beer-keuze, die mijn medewerker Victor doet, misschien is het de manier van voeren, misschien de groepshuisvesting in stro, waar de dragende zeugen hun dracht volmaken. Het zou ook de hoge gezondheidsstatus van mijn bedrijf kunnen zijn of mijn verschillende voercurves, die ik gebruik en die ik in overleg met de voervoorlichter instel." Zo ging woordelijk een gesprek, dat de schrijver van dit artikel had met een van de varkenshouders, waar hij al jaren komt. Bij de afnemers van de biggen van dit vermeerderingsbedrijf is opvallend, dat er naar verhouding weinig gewichtsvariatie is binnen de vleesvarkens met eenzelfde oplegdatum. Als we naar geboortegewichten en spreidingen in geboortegewichten kijken, dan speelt het voerschema, dat de zeugen aangeboden krijgen, een belangrijke rol. In de eerste maand van de dracht wordt de spreiding in geboortegewichten binnen een toom bepaald, terwijl in de laatste maand van de dracht het absolute geboortegewicht bepaald wordt. Het is zaak om met uw voervoorlichter absoluut aandacht te besteden aan de voercurve, die uw zeugen krijgen aangeboden. Dit kan resulteren in meer voercurves in uw bedrijf, bijvoorbeeld aangepast voor eerste-worps zeugen in vergelijking tot oudere-worps zeugen of voor zeugen, die in slechtere conditie uit de kraamstal komen in vergelijking tot zeugen, die in betere conditie uit de kraamstal komen. Voor bedrijven met groepshuisvesting met doorloop-voerstations kan men zo al heel snel uitkomen op vier of vijf verschillende voercurves. Voerschema's blijken van heel veel invloed te zijn op geboortegewichten van biggen en, om enig voostellingsvermogen te geven bij verschillende geboortegewichten op een zeugenbedrijf: in het algemeen wordt gezegd, dat 100 gram minder geboortegewicht bij een big resulteert in 200 gram minder speengewicht en 500 gram minder aflevergewicht. Dergelijke kengetallen doen ons realiseren, dat het niet alleen voor de afnemer van biggen, maar ook voor de producent ervan belangrijk is om het fenomeen lichte biggen te vermijden. Naast voertechnische oorzaken zijn ook ziektekundige zaken belangrijk qua invloed op de geboortegewichten. Zeugen, die tijdens de dracht klinisch of subklinisch ziekten doormaken kunnen dientengevolge een verminderde voeropname hebben met het hierboven genoemde effect op de geboortegewichten. Daarnaast kunnen ziekteverwekkers ook een rechtstreeks effect hebben op de biggen in de baarmoeder (PRRS- biggen met hun afwijkende koppen en "knikruggen" bijvoorbeeld ) hetgeen de kwaliteit van de biggen qua gezondheid en gewicht beinvloedt. Het is daarom zaak om naast juiste voerschema's ook een goede gezondheidssituatie te krijgen en te behouden op uw bedrijf. Van belang is daarbij om een beeld te krijgen van de ziektedruk op uw bedrijf. Daarbij is klinisch onderzoek belangrijk met daarnaast ook serologische bloedonderzoeken eventueel aangevuld met secties en laboratoriumonderzoek van mestmonsters. Belangrijk daarbij is om ook een beeld te krijgen van de laboratoriumgegevens op momenten, dat alles op een bedrijf heel goed gaat, wat vaak samen gaat met een goede bedrijfsgezondheid. We moeten een uitgangswaarde krijgen. Door de uitgangssituatie te kennen kunnen we ook beter laboratoriumuitslagen interpreteren bij ziekten of bij technisch gezien mindere prestaties. Een en ander is niet altijd gemakkelijk te interpreteren en de keuze van de te onderzoeken dieren, daarvan is het verstandig om dit te doen met uw adviserende dierenarts. Als we kijken naar de uniformiteitsinvloeden vanuit het zeugenbedrijf, dan zal duidelijk zijn, dat geboren biggen ook een terugslag kunnen krijgen door ziektedruk (geboortediarree, vetdiarree of slingerziekte bijvoorbeeld, aandoeningen, die darmbeschadiging kunnen geven en daardoor later van invloed zijn op de uniformiteit) of huisvestingsinvloeden, zoals bijvoorbeeld overbezetting in de speenafdelingen of problemen met de drinkwatervoorziening of voervoorziening bij speenbiggen, een onjuist stalklimaat etc. Het is zaak om overal bij stil te blijven staan om te komen tot een goed big voor de afnemer, daar heeft zowel de afnemer als u als biggenproducent belang bij.
Invloeden vanuit het vleesvarkensbedrijf
Uniformiteitsproblemen, veroorzaakt op het vleesvarkensbedrijf kunnen ontstaan door zowel ziekteproblemen als door voedingstechnische en huisvesting gerelateerde problemen. Met betrekking tot de ziektedruk, zoals deze op een vleesvarkensbedrijf aanwezig kan zijn, is bekend, dat er een duidelijke relatie is met het ontstaan van een minder goede uniformiteit. Twee van de bekendste oorzaken lijken de ziekten PIA en Circo te zijn. Echter ook andere ziekteverwekkers zoals PRRS en Influenza kunnen klinische of subklinische problematiek geven en daarmee hun effect hebben op de uniformiteit. Via laboratoriumonderzoek kan men meestal weer dichter bij de waarheid komen wat het effect is van de verschillende ziekteverwekkers en hun bijdrage in de problematiek. Op het gebied van huisvesting is het belangrijk, dat er in alle opzichten een goede hygiëne is ; belangrijk onderdeel van de hygiëne is, dat er ook een goed opdrogen is van de cel of stal na de reiniging en ontsmetting. Het inleggen van biggen bij een te vochtige stal heeft, behalve op de gezondheid, ook een rechtstreeks negatief effect op de bekende productiegetallen en het ontstaan van gewichtsverschillen in het mesttraject. Ook de opvangtemperatuur in de mesterij bij aankomst van de biggen is belangrijk; informatie over de temperatuur van de speenafdelingen bij het verlaten van de biggen van het vermeerderingsbedrijf kan daarbij een waardevol hulpmiddel zijn; de opvangtemperaturen in de vleesvarkensafdelingen wisselen ook afhankelijk van het type huisvesting, van bedrijf tot bedrijf. Op het gebied van voeding is het belangrijk om meer te weten over de levensgroei van de geleverde biggen op het vermeerderingsbedrijf. Biggen met een hoge levensgroei op het vermeerderingsbedrijf bereiken wel het juiste aflevergewicht om in te leggen in het vleesvarkensbedrijf, maar kunnen niet altijd een normaal startvoer aan. De reden hiervan is, dat de dieren in vergelijking tot langzamer groeiende biggen, jonger zijn en daardoor ondanks hun gewicht niet voldoende enzymatische ontwikkeling in hun darmstelsel hebben om de vertering van het startvoer aan te kunnen. Nutritionisten zijn zich hier ook van bewust geworden door opstartproblemen en hebben naast conventionele startvoeders ook voeders ontwikkeld waar nog speenvoederingredienten in verwerkt zijn. Dit gebeurt niet standaard, omdat een dergelijk aangepast voer vaak duurder is. Uw voerspecialist zal u hier zeker over kunnen bijpraten.
Samenvatting
In deze bijdrage is aandacht besteed aan de afgenomen uniformiteit, die opvalt in vleesvarkensbedrijven. Stil is er gestaan bij een aantal oorzaken, die een rol kunnen spelen bij de vermeerderaar en bij de vleesvarkenshouder. Vastgesteld werd, dat zowel bij de vermeerderaar als bij de vleesvarkenshouder er een belang is om invloed uit te oefenen op een toename van de uniformiteit bij de vleesvarkens. U als ondernemer zal deze invloed moeten uitoefenen samen met uw dierenarts en uw voervoorlichter, waarbij een goede communicatie, ook tussen de vermeerderaar en de vleesvarkenshouder, van belang is om te komen tot een verbetering van de prestaties.
Paul Verstraelen, dierenarts varkens DAP Horst e.o., T 077-3982169 E dierenarts@daphorst.com